Aanvullingen op boekje "Leven vanuit het nieuwe Jeruzalem"

Bij het schrijven van deze aanvullingen ben ik ervan uitgegaan dat je mijn boekje “Leven vanuit het nieuwe Jeruzalem” gelezen hebt (anders zou ik een aantal zaken hier opnieuw moeten uitleggen).

Veel van deze aanvullingen stonden in het eerste concept van mijn boekje, maar zijn er later uitgehaald om het boekje niet te dik en te moeilijk te maken.

Rien van der Maas

 

 

De betekenis van het woordje “En” (kai) in Openbaring 21:1

(Geplaatst op 11 november 2017)

De woorden “En ik zag”, waar Openbaring 21 mee begint, interpreteerde ik vroeger automatisch als een beeld van iets dat na het laatste oordeel komt. Hoofdstuk 20 eindigt immers met het laatste oordeel. Bestudering van de betekenis van het Griekse woord voor “en”, namelijk “kai”, leverde mij echter het inzicht op dat dit niet noodzakelijkwijs het geval is. Het woord “kai” wordt gebruikt in opsommingen van aspecten zonder dat ze daarmee noodzakelijkerwijs in de juiste volgorde van de tijd zijn gezet. Een voorbeeld is de lijst van aspecten in Hebreeën 11:22-24 waar ook het woordje “kai” wordt gebruikt. Deze lijst eindigt met “en (kai) tot de Middelaar van het nieuwe verbondJezus, en (kai) tot het bloed van de besprenging, dat van betere dingen spreekt dan dat van Abel.” In vers 23, het vers ervoor, wordt gesproken over het genaderd, of beter: gearriveerd zijn “tot een feestelijke vergadering en de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid zijn gekomen”. Het is duidelijk dat je via Jezus en zijn bloed toegang hebt tot God en deel bent van de gemeente van eerstegeborenen. Jezus en zijn bloed komen dus in de tijd eerst en daarna het andere. Hier staat dus de opsomming van aspecten, aangeduid met “kai”, niet in een tijdsvolgorde. Dat hoeft dus (blijkbaar) ook niet bij gebruik van het woord “kai”. Mijn conclusie is daarom dat met het woordje “en” in Openbaring 21:1a niet bedoeld is dat het beeld in Openbaring 21:1 in de tijd volgt op het laatste oordeel uit het eind van Openbaring 20.

Deze conclusie wordt ondersteund door de waarneming dat in Openbaring 18 tot en met 20 speciale tijdsaanduidingen worden gebruikt: “Hierna …” in Openbaring 18:1 en “Hierna …” in Openbaring 19:1) of dat gebeurtenissen aan het begin, tijdens of na het ‘duizendjarige’ rijk geplaatst werden (Openbaring 19:2-13; waarbij het combineren van vers 5 en 13 de tijdsaanduiding voor vers 13 oplevert). Openbaring 21 begint echter niet met duidelijke tijdsaanduiding; het start met het niet-tijdspecifieke “en ..”.  “En/kai” kan daarom zowel refereren aan een vervolg op het eindoordeel in hoofdstuk 20, maar ook aan een vervolg op de spoedig tot vervulling komende profetieën die tot en met hoofdstuk 19. Aangezien het hele boek Openbaring zichzelf presenteert als spoedig tot vervulling komende profetie mag je verwachten dat alles wat niet spoedig tot vervulling zou komen hiervoor een expliciete vermelding zou krijgen, zoals in hoofdstuk 20 (na ‘duizend’ jaar). Zo’n vermelding is echter vanaf Openbaring 21:1 niet terug te vinden. In tegendeel; direct na het profetische beeld van het nieuwe Jeruzalem in Openbaring 21:9 tot en met 22:5 staat in Openbaring 21:6: “En hij zei tegen mij: Deze woorden zijn betrouwbaar en waarachtig. En de Heere, de God van de heilige profeten, heeft Zijn engel gezonden om Zijn dienstknechten te laten zien wat met spoed moet gebeuren”. Als het neerdalende nieuwe Jeruzalem iets voor de verre toekomst zou zijn geweest voor de ontvangers van de brief dan had dat in Openbaring 22:6 zeker expliciet vermeld geweest. Dat is echter niet het geval.