Ont-zien
Sommige ervaringen in het leven maken zo’n impact dat je, eenmaal daar, de dingen ervoor niet meer op eenzelfde manier kunt bekijken, of ten minste, dat je je daar vervolgens opnieuw toe moet verhouden. In de auto op weg naar de kerk wreef Lisan er nog even in dat ik nu John Mayer ophemel, terwijl ik ‘em vroeger altijd een slijmbal vond. Dit kwam op het moment dat ik ‘Wrecking Ball’ van Miley Cyrus harder zette in plaats van zachter. Eigenlijk was dat wel een toepasselijk nummer, want als je dingen eenmaal op een andere manier gaat zien, is het soms alsof er een sloopkogel door je ogenschijnlijk vaststaande zekerheden heengaat.
Deze zondag sprak ik over een ervaring die ik recentelijk had, toen ik in een forensentrein op weg was naar Utrecht Centraal, in de ochtendspits. Ik heb in mijn leven weinig mystieke ervaringen gehad, maar degenen die ik had waren impactvol, en de gemene deler was altijd dat ik daarna de dingen niet meer op eenzelfde manier kon zien. Ik las een boek over wie Jezus was, waarin een vergelijking werd gemaakt tussen de historische figuur Jezus van Nazareth, en Jezus als de Christus. En de woorden daarvan bereikten me op een manier die voorbij ging aan wat ik op een intellectuele manier kon begrijpen, zo bleek toen ik eenmaal uit de trein stapte. Er stond:
“Daarom heeft het christelijk geloof vanaf het begin nooit betwijfeld dat degene die is opgewekt, de gekruisigde Jezus van Nazareth is (de opstanding van Jezus). En spreken over zijn opwekking door God betekent erkennen dat er een beslissende (eschatologische) gebeurtenis heeft plaatsgevonden die niet alleen hem raakt, maar ook God zelf en ieder van ons (de opstanding van Jezus Christus). Het eigenlijke onderwerp van de christologie is niet de historische, tastbare Jezus van Nazareth en zijn voorbeeldige of religieuze betekenis voor ons, maar Gods eerstgeborene die uit de dood is opgewekt.”
Ik stapte uit de trein, en liep een bomvolle stationshal in. Ik moest aan de andere kant zijn om een bus te halen, en meestal is dat, zeker in de spits, een kwestie van goed om je heen kijken, botsingen ontwijken, mensen voor de voeten lopen, enzovoorts. Maar het was alsof ik zweefde door de hal, over de hoofden heen zogezegd, en terwijl ik in deze soort halve trance verkeerde moest ik aan het volgende denken: als Jezus’ opwekking ons allen aangaat, dan vindt ieder mens in deze hal, die allen ieder zijns weegs gaan, op een of andere manier, of ze zich hier nu bewust van zijn of niet, zijn of haar oorsprong in Christus, eerstgeborene van de schepping, door God uit de doden opgewekt. Ik weet niet meer hoe ik bij de bus terecht gekomen ben.
Het was een ervaring waar ik iets mee moest. Op een intellectueel of analytisch niveau had ik al een beeld van het concept van eenheid, dat we allemaal aan elkaar verbonden zijn in dit grote, kosmische ballet, maar na deze gebeurtenis, die me raakte op een harts- of zijnsniveau, kon ik niet meer terug. Ik zal nooit meer terug kunnen naar het zeggen dat iemand op welke manier dan ook niet zijn oorsprong zou vinden in Jezus. We horen er allemaal bij, of we het nu weten of niet, en ik kan dit nooit meer niet zien. Wat betekent dat ik zal moeten ont-zien, dat ik dingen die ik dacht te weten, moet heroverwegen. Zoals Baxter Kruger zegt: “Bekering is de radicale heroverweging van alles wat we denken te weten in het licht van Jezus Christus.”
Dit is een voortdurend proces, zo wist ook de apostel Paulus, die als geen ander wel alles dacht te weten, maar na een impactvolle ervaring in een onontkoombaar proces van ont-zien verzeilde: “U hebt gehoord hoe ik vroeger […] de gemeente van God fanatiek vervolgde en haar probeerde uit te roeien. […] Maar toen besloot God, die mij al vóór mijn geboorte had uitgekozen en die mij door zijn genade heeft geroepen, zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik hem aan de heidenen zou verkondigen.” (Galaten 1:13;15-16). Dit moment, dat we kennen als zijn mystieke ervaring op de weg naar Damascus, veranderde hem voorgoed. Hij kon alleen nog maar zijn nieuwe inzicht verkondigen: “Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus, de gekruisigde.” (1 Korintiërs 2:2).
Dat was nogal wat voor iemand die zijn leven tot dat punt had gegeven aan alle kennis – en dat was héél veel – in te zetten om de kerk juist te vervolgen. Maar het nieuwe perspectief was zodanig, dat al het voorgaande had afgedaan: “Maar wat voor mij winst was, ben ik omwille van Christus als verlies gaan beschouwen. Sterker nog, alles beschouw ik als verlies. Het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles. Omwille van hem heb ik alles prijsgegeven; ik heb alles als afval weggegooid.” (Filippenzen 3:7-8). In andere vertalingen staat in plaats van het woordje afval er ‘waardeloze troep’, maar de Griekse grondtekst is het meest expliciet wat dat betreft: skubala. Vrij vertaald: poep.
In het licht van Christus, in het licht van het Kruis, kun je dingen op een andere manier bekijken dan je tot dusver gedaan hebt. Paulus deed dat in zijn tijd: in plaats van christenen te vervolgen, openbaarde God zich in hem, en werd Paulus precies het tegenovergestelde van wie hij dacht dat hij was. Niet doordat hij zo goed zijn bijbel las, maar doordat dóór Jezus’ onthulling al die kennis op een andere manier belicht werd. Zijn bestaande kennis beschouwde hij als poep; hij kon zijn nieuwe werkelijkheid niet meer niet zien. Ik sta op eenzelfde kruispunt: na zo’n vier jaar studie, boeken lezen, podcasts luisteren, video’s bekijken, maar vooral: door een volle stationshal door Gods eigen ogen te zien, kan ik niet meer niet zien.
Dit verhaal doet dit proces per definitie tekort, maar dat is niet erg. Laat ik bij wijze van voorbeeld en introductie drie dingen noemen, die iets van de kern weergeven, maar waarschijnlijk de breedte en hoogte en lengte en diepte die de liefde van Christus is (Efeze 3:18-19) tekort doen. Die drie dingen zijn: 1) de liefde van God voor Zijn schepping, 2) het gevolg daarvan: wie zijn wij als kerk? En 3) Wat zijn de implicaties daarvan voor onze reis? Naar alle drie de zaken kijk ik nu anders dan voorheen, en in alle gevallen hebben ze kosmische implicaties voor hoe ik de dingen dan wel zie.
Alles begint met Jezus niet meer zien als het einde, de ‘fix’ van God om het probleem van de gevallen mens op te lossen, maar als vertrekpunt, als beginpunt, als portee, als Hij die alles samenbrengt en houdt, in de woorden van Baxter Kruger: the Creator and Sustainer of all things. Jezus, dus, die “de eerstgeborene moest zijn van talloze broeders en zusters,” (Romeinen 8:29) die “eerstgeborene uit de dood is, om in alles de eerste te zijn,” (Kolossenzen 1:18) en “als hoofd over alles aangesteld, ten behoeve van de kerk, die zijn lichaam is, de volheid van Hem die alles in allen vervult” (Efeze 1:22-23).
Wanneer Jezus het vertrekpunt is, het hoofd, volgt hieruit dat wij, vrij letterlijk, het lichaam zijn. We kunnen er dan wat over twisten wie of wat ‘de kerk’ dan is, wat de reikwijdte daarvan is, maar het is in ieder geval Jezus die als “het hoofd, van waaruit God het hele lichaam, door gewrichtsbanden en pezen ondersteund en bijeengehouden, doet groeien.” (Kolossenzen 2:19). Paulus is er echter vrij duidelijk over: “Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit.” (1 Korintiërs 12:27) en “Zo zijn we samen één lichaam in Christus en zijn we, ieder apart, elkaars lichaamsdelen” (Romeinen 12:5).
Zó groot is Gods liefde dus, dat wij allen in Jezus, als beginpunt van alles, zijn opgenomen. Op een of andere, niet te vatten manier, hebben we deel gekregen aan de goddelijke natuur. En niet die paar christenen die het juiste versje gebeden hebben om het bruggetje dat het kruis is over te kunnen wandelen naar God, maar iedereen, bewust of onbewust, gekozen of ongekozen. “God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vertellen, maar om de wereld door Hem te redden.” (Johannes 3:17), en wel op zo’n manier dat zo “de liefde bij ons tot volmaaktheid is gekomen, en daardoor kunnen we op de dag van het oordeel vol vertrouwen zijn, want hoewel wij nog in deze wereld zijn, zijn we als Jezus.” (1 Johannes 4:7).
En dat oordeel, voor de goede orde, is dat wij opgenomen zijn in Gods liefde: “God werd mens zodat wij [als] God kunnen worden,” schreef kerkvader Athanasius van Alexandrië. Alexandrië, die mooie stad aan de Nijl, dáár gebeurde het. Origenes van Alexandrië schreef bijvoorbeeld: “We zullen niets anders meer waarnemen dan God; we zullen aan God denken, God zien, God vasthouden; God zal de manier en maatstaf van elk moment zijn; en zo zal ‘God’ voor ons ‘alles’ zijn.” Ook Origenes kon het niet meer niet zien. En dat ‘zien’ heeft nogal kosmische implicaties. Zoals aan het begin van een van de oudste christelijke martelaarskalenders geschreven staat: “Onze Heer Jezus Christus werd gekruisigd, vervolgens ontvangen in de schoot, en daarna werd de wereld geschapen.” Ja, in die volgorde, zegt John Behr dan.
Dat brengt me bij het tweede punt: wie zijn wij als kerk? Als Jezus inderdaad het beginpunt is, en wij met hem en als hem zijn gestorven en weer opgestaan (Romeinen 6:4), waar brengt ons dat dan? Jezus is het hoofd van de kerk, en wij het lichaam. En dat lichaam is nog in wording. In moeilijke termen betekent het dat ons bestaan ‘co-terminal but a-synchronous’ met Christus is. Makkelijker gezegd: hoewel onze bestemming samenvalt met Christus (gezeten bij de Vader in de hemelse gewesten), zijn we nu nog niet dood. Toch? Maar hoe leven we dan, als kerk? Ik ga hier nu niet heel diep op in, maar als Jezus de eerstgeborene is, moet er ook ergens een baarmoeder zijn waar ook wij dan uit voortkomen. De vroege christenen noemen dit ‘de kerk’; de kerk als de Maagd, de Moeder, of de Maagdelijke Moeder. Clemens uit, wederom, Alexandrië:
“De Heer Christus, vrucht van de Maagd, heeft de borsten van vrouwen niet zalig verklaard, noch heeft Hij hen uitgekozen om voeding te geven. Maar toen de liefhebbende en menslievende Vader zijn Woord neerzond, werd het [Woord = Jezus, red.] geestelijk voedsel voor de deugdzamen. O mysterieus wonder! Er is één Vader van allen, er is één Woord van allen, en de Heilige Geest is overal dezelfde en één. Er is ook één Maagdelijke Moeder, die ik graag de Kerk noem. Deze moeder had, toen zij alleen was, geen melk, want, alleen, was zij geen vrouw: zij is tegelijk maagd en moeder, een maagd ongeschonden en een moeder vol liefde. Zij trekt haar kinderen tot zich en voedt hen met heilige melk, dat wil zeggen het Woord voor de kleinen. Zij had geen melk, omdat de melk dit kind was, schoon en vertrouwd, het lichaam van Christus, dat door het Woord het jonge nageslacht voedt, dat de Heer zelf voortbracht in de barensweeën van het vlees, dat de Heer zelf wikkelde in zijn kostbaar bloed. O wonderbare geboorte!”
Ik zou dit maar gauw weer vergeten, want zelfs na vier jaar dit bestuderen, nadat degene wiens onderwijs ik hierover volg zo’n dertig jaar van zijn leven hieraan gegeven heeft, begint pas recent, na ‘Utrecht Centraal’, de waarheid hiervan enigszins te verschuiven van mijn hoofd naar mijn hart. In iets kortere bewoordingen van Cyprianus van Carthago (ook een mooie stad, bij Alexandrië linksaf) staat er ongeveer dit: “Je kunt God niet als je Vader hebben, als je de Kerk niet langer als je moeder hebt.” Kortom, nog meer kosmische implicaties. Jezus Christus en de kerk zijn de vervolmaking van Adam en Eva uit Genesis: “God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen.” (Genesis 1:26-27). Mannelijk: van Adam naar Christus, vrouwelijk: van Eva naar Maria, c.q. de Maagdelijke Moeder, die ik graag de Kerk noem…wait, what?
Het gaat mezelf ook nog regelmatig de pet te boven, maar het brengt me wel bij mijn laatste punt. Zoals gezegd: ik kan het niet meer niet zien, maar ik kan er ook niet meer stil over blijven. En tegelijkertijd is het héél veel. Ik hoor jullie al denken: daar gaan we weer? Moeten we nu weer een nieuwe theologie? Nieuw onderwijs? Moeten we weer van alles? Nee, we moeten helemaal niets. En we hebben alle tijd, ons hele aardse leven lang, om volledig samen te vallen met wie Christus is, om mens te worden zoals Hij. Volgende week ga ik met een aantal anderen onder ons naar een themadag van John Behr. Hij zegt het volgende, in het licht van de dingen op een andere manier bekijken:
“Alleen in het licht van het einde kunnen we zelfs maar beginnen het begin te begrijpen. Bovendien wordt, wanneer de Schrift op deze manier wordt gelezen, het offer aan het kruis niet eenvoudig opgevat als voldoening voor of herstel van de zonde, maar veeleer als een daad van liefde die voor ons de moederschoot opent, zodat wij tot het leven geboren kunnen worden door het volgen van ‘de Leidsman van ons heil’, ‘de Eerstgeborene uit de doden’, ‘de Eerstgeborene onder vele broeders’, en inderdaad het ‘Begin’ van Gods schepping. De boog van Gods heilsbestel loopt niet eenvoudig van de ‘zondeval’ naar de verlossing, maar van de schepping naar de voleinding, waarbinnen zonde en dood slechts een kleinere boog of een ondergeschikt thema vormen. De beweging van Gods ene heilsplan gaat van het voorafbeeldende type naar de werkelijkheid, van de schets die Adam is naar de volheid van de mensheid zoals die in Christus openbaar wordt.”
Dus het laatste voorbeeld is dit: wat zijn de implicaties voor onze reis? Kosmisch! Maar ik wil dat graag noemen: de schoonheid van geduld. We hebben alle tijd, en we hebben geenszins haast, want Hij is het die het doet. In de woorden van Ireneüs van Lyon (niet echt in de buurt van de Noord-Afrikaanse kust): “Want jij schept God niet, maar God schept jou. Als jij dus het werk van God bent, wacht dan op de Hand van God, die alles doet op de juiste tijd — de juiste tijd voor jou, die nog gevormd wordt. Bied Hem je hart aan, zacht en kneedbaar, en behoud de vorm waarmee de Vormgever je heeft gevormd. Draag zijn Water in je, opdat je niet uitdroogt en het afdruksel van zijn vingers verliest. Door deze vorm te bewaren, zul je opstijgen tot volmaaktheid; het slijk in jou zal verborgen worden door de kunst van God. Zijn Hand heeft jouw wezen geschapen; zij zal je, van binnen en van buiten, met zuiver goud en zilver overtrekken en je zo tooien dat de Koning zelf verlangen zal naar jouw schoonheid.”
We zijn onderweg, en God is bezig, het is onze reis in Hem en met Hem en tot Hem. En het is een mooie reis, waarin we steeds meer worden zoals we bedoeld zijn om te zijn, een reis van geduld, leidend tot onnoemelijke schoonheid en vreugde! Ik kan jullie niet verplichten om mee te gaan, ik kan alleen bidden dat jullie meegaan, dat je zelf door de heerlijkheid van het Kruis de Schrift voor je geopenbaard wordt zoals de Emmaüsgangers overkwam, en het allemaal alleen nog over Hem gaat – dat door het evangelie alles om je heen evangelie wordt. Jezus, laat het zo gebeuren! ‘Tetelestai’ – het is volbracht! En door deze voltooiing begint er iets nieuws, in alle schoonheid, rust en vrede! Ik kan je alleen maar uitnodigen je hart te openen en mee te gaan.
Toen ik laatst in Bristol was sprak Jason Clark de gevleugelde woorden: “I’d rather be wrong on the right side.” Weten of ik ‘gelijk’ heb met alles hierboven, weet ik niet. Maar ik wéét dat ik mijn perspectief blijvend veranderd heb. Je kunt ergens naast zitten, maar dat is niet erg als je er maar aan de juist kant naast zit. John Mayer vond ik altijd verschrikkelijk; zijn muziek is hetzelfde gebleven, maar ik luister nu anders. Miley’s sloopkogel is langs geweest. Nu maar hopen dat mijn perspectief over Ed Sheeran opschuiven me in de toekomst bespaard blijft.
– Essay op basis van preek ‘Leven vanuit Liefde’, Eldad community
Patrick Witte, Ede, 21 juni 2026